Waarom een bundel over kanker?

Een poging tot antwoord van Erwin Steyaert
én een gedicht van Ann Van Dessel

 

Waarom schrijven over kanker?

Iedereen zal wel beamen dat er vrolijkere onderwerpen bestaan om over te dichten. Waarom dan precies over kanker? Een ziekelijk trekje? Een uit de hand gelopen hobby? Een collectieve existentiële nood? Niets van dit alles, en indien al iets, dan misschien het laatste, maar dan wel een nood die zich slechts traag aan ons heeft geopenbaard.

Ik weet niet meer precies in welke omstandigheden wij zes jaar terug het plan opvatten om over dit onderwerp te schrijven. Ik weet wel dat elk van ons reeds schrijnende ervaringen achter de rug had met de ziekte: we hadden allemaal in ons verleden mensen uit onze dichte omgeving weten kanker krijgen en sterven. Daarbij waren we geconfronteerd met de moeilijkheid om te praten over de ziekte, over het verloop en de uitkomst ervan, en dat zowel met de zieke als met de naaste familie en vrienden.

Daar ligt de kiem van ons project: een verlangen om woorden te vinden voor ervaringen van onmacht. Een poging om het onvermogen van toen te overwinnen door achteraf toch nog gedachten en gevoelens te verwoorden die we op het eigenste ogenblik niet hadden kunnen uitspreken of uitschrijven. Een poging dus om iets goed te maken tegenover mensen die ons dierbaar waren geweest en tegenover wie we ons tekort hadden weten schieten. Een soort rechtzetting of een postume communicatie. Omdat we dichters zijn, kreeg die communicatie vorm in gedichten.

Algauw kwam daarbij de gedachte dat wij misschien met onze gedichten anderen konden helpen zonder daarmee de pretentie te koesteren dat wij pasklare woorden hebben voor de pijn, de hulpeloosheid, de vechtlust of moed van anderen. Elk ziekteproces is immers uniek en onvervreemdbaar. Maar misschien kan het lezen van onze gedichten anderen behoeden voor het onvermogen dat wij zelf ervaren hadden. Misschien, uiteraard. Want waar het woord kanker valt, ontploft een bom. Gedichten kunnen de knal niet dempen of de ravage ongedaan maken. Maar misschien, heel misschien kunnen ze herkenning stichten en in de wonderlijke solidariteit die tussen lezer en dichter tot stand komt, het gevoel van onmacht of eenzaamheid milderen of een aanknopingspunt bieden voor gesprek en verwerking.

Getuigenissen, reflectie en lectuur, persoonlijke ervaringen gaven het project een eigen dynamiek. Het idee ontstond om te proberen zoveel mogelijk aspecten van het ziekteproces in gedichten te vatten: de angst om ziek te worden, de harde diagnose, de opeenvolgende therapieën, de reacties van de omgeving, de slingerbeweging tussen hoop en angst, de genezing of fatale afloop, het achterblijven. Het zijn allemaal onderwerpen die in de diverse cycli van de omvangrijke bundel aan bod komen. Dat de input van vijf dichters komt, zorgt, zo hopen we, voor een uitgebalanceerde veelstemmigheid.

Erwin Steyaert

 

Tijdens de jaren dat we aan dit project werkten, maakten we mee dat mensen in onze omgeving ziek werden. In de cyclus ‘Opgedragen’ verzamelden we gedichten die bijna letterlijk op de huid van patiënten geschreven werden. Hier volgt een gedicht van de hand van Ann Van Dessel.

 

hersenschimmels

             voor Driess

in het slaaplege hol van de wolf
woont de witte nacht. daar is geen schaap
van tel. daar drammen gitaren

een duivelsdans. hoe leger hij slaapt,
hoe grilliger de maan zich
uit de bleke hemel duwt. sterren vallen

lelijk tegen. ze springen als snaren,
krassen elke droom aan diggelen.
slaapsporen lopen op dunne benen.

ten prooi aan te veel ochtend
verzuipt Driess zijn tumor in koffie.
achter zijn oren krabbelt een riff recht.

© Ann Van Dessel

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

Een WordPress.com website.

Omhoog ↑